Ferrari is zo’n merk waar je haast niet om heen kunt. Ook niet als je niks met auto’s hebt. Het zwarte steigerende paard op die gele achtergrond, de associatie met het rood, de rauwe sound, de snelle lage exclusieve sportieve belijning. Als je het nu mooi vindt of niet; het zorgt voor emoties. Ook voor zei die een automobiel zien als een puur noodzakelijk kwaad of nog anders, als een last voor de openbare ruimte of natuur. De emotie heeft bij hen wellicht een andere uitwerking maar toch; die auto met het steigerende paard brengt iets teweeg.
Sebastian Vettel, viervoudig wereldkampioen F1 en oud-Ferrari coureur, zei ooit eens; “Als je aan Mercedes monteurs vraagt wat het mooiste automerk ter wereld is dan zeggen ze zonder twijfel allemaal Ferrari”. Ik denk dat Vettel gelijk heeft met zijn overtuiging.
Motor valley
In oktober 2025 was ik met twee vrienden in ‘Motor valley’ te vinden in de regio Emilia-Romagna. Dit gebied in de Italiaanse regio Emilia-Romagna staat wereldwijd bekend om zijn rijke auto(sport)geschiedenis en is de thuisbasis van de Ferrari-fabriek in Maranello, het Ferrari-testcircuit de Pista di Fiorano, het circuit Imola, de Lamborghini fabriek in Sant Agata en een relikwie zoals de Bugatti fabriek. Het was niet voor het eerst dat ik hier was want al in maart 2024 reisde ik al eens af naar Motor Valley voor een bezoek aan de Pagani fabriek en het onofficiële museum van Maserati, de Umberto Panini collection.
In het hart van Maranello
Tijdens ons autoliefhebbers-reisje verbleven we in een hotel dat letterlijk midden in de Ferrari-wereld staat. De entree bevindt zich naast een gebouw dat van boven tot onder is gehuld in het iconische Ferrari-rood, met een groot logo dat geen twijfel laat bestaan over wie hier de baas is. Dit is de plek waar Charles Leclerc en Lewis Hamilton hun wapens krijgen; ontworpen, gebouwd en race-klaar gemaakt door honderden ingenieurs achter gesloten deuren. Waar legendarische machines zoals de 499P, de winnaar van Le Mans van de afgelopen jaren, in alle glorie klaar gestoomd worden. Alsof dat nog niet genoeg is: als ik ’s ochtends mijn badkamerraam opensla, kijk ik uit over de fabriek die sinds 1947 dienst doet als het kloppende hart van Ferrari. Een tijdlijn in beton en staal van de bescheiden naoorlogse beginperiode tot het ultramoderne complex van vandaag waar elektrische Ferarri’s toekomst bestendig worden gebouwd. Op dat moment rijdt er een ronkende Ferrari 296 door de beroemde fabriekspoort naar buiten, stuift de straat op. Ik krijg kippenvel. Dit is wat autopassie voelt als je er middenin staat.
Enzo Ferrari museum
Modena, een stokoude stad waar je naast fraaie bouwkunst ook het Museo Enzo Ferrari kunt bezoeken. Het museum bestaat uit twee delen: het gele woonhuis waar Enzo Ferrari in 1898 werd geboren, en een enorme witte koepelvormige hal die ernaast is neergezet. Die hal is een statement op zich. Ontworpen door Jan Kaplický, doet hij denken aan een omgekeerde vliegende schotel of een motorinlaat, als je het romantischer wilt zien.
Eenmaal binnen slaat de ruimte je tegemoet. Meerdere niveaus, strakke presentatie, en overal dat onmiskenbare rood. De collectie bestrijkt zowel de racerij als de straatwagens, en in oktober 2025 was er werkelijk geen reden tot klagen. De 288 GTO stond er; de auto die Ferrari’s supercarcarrière eigenlijk begon. Naast hem de F40, rauw en compromisloos als altijd, met die glasvezelcarrosserie waar je bijna doorheen kunt kijken. En dan de F50, de auto die een Formule 1-motor voor de straat wilde brengen en daar aardig in slaagde.
Je loopt er langs en beseft dat je deze auto’s je hele leven al kent. Van posters, van tijdschriften en omdat ik ze allemaal bovenop de houten plank had staan boven mijn bed in de schaal 1:18. En nu staan ze op anderhalve meter afstand, gewoon, met een dik vet alarm beveiligd. Dat dan weer wel.
Wanneer je het Museo Enzo Ferrari verlaat, neem je meer mee dan herinneringen. Je neemt een hernieuwde waardering mee voor wat er mogelijk is als iemand weigert te compromitteren. Enzo Ferrari was geen makkelijk mens, dat is algemeen bekend. Maar zijn ontembare drang naar perfectie heeft iets nagelaten dat ver voorbij hemzelf reikt. En in die witte hal in Modena, omringd door zijn meesterwerken, voel je dat.
Cavallino
We staan in de schemering tegenover de ingang van de fabriek. Als ik naar de overkant kijk zie ik de poort van de Ferrari fabriek met de grote gele belettering. Door de poort lopen medewerkers van Ferrari naar buiten die klaar zijn met hun avond shift. Achter ons staat een gebouwtje, helemaal rood geverfd. Op de gevel prijkt de naam Cavallino. Het betreft het restaurant waar Enzo Ferrari zijn lunch en diners nuttigde. Enkele jaren terug is het restaurant in handen gekomen van Ferrari en is er een nieuwe kaart. We stappen binnen. De deur valt achter ons dicht en de wereld van asfalt en schemerig fabriekslicht maakt abrupt plaats voor iets heel anders. Warmte. Licht. Geschiedenis. Het interieur ademt de sfeer van een Italiaans grand café dat nooit helemaal heeft hoeven veranderen. Donker hout, witte tafellakens en de subtiele glans van gepolijst bestek. Aan de muren hangen foto’s die decennia verbeelden: zwart-wit beelden van mannen met leren rijdersbrillen, van ronde neuzen en rollende wielen op circuits die allang tot legende zijn verheven. Enzo zelf kijkt je aan vanaf de wand; niet triomfantelijk, maar bedachtzaam. Alsof hij ook nu nog de baas is.
De ober legt de menukaart voor me neer. Het is geen gewone kaart, het is een reisschema. Een proeverij die de geschiedenis van Ferrari’s icoonste supercars doorloopt, van de 288 GTO tot de F80. Elk gerecht draagt de naam van een legendarische wagen. Ik blader. Mijn vinger stopt bij de F40.
De F40 stamt uit 1987 en gold als de snelste straatauto van zijn tijd — 324 kilometer per uur, nul naar honderd in 4,1 seconden. Hij was van Maradona, onder anderen. Een auto die niet fluisterde, maar schreeuwde. En nu stond hij op mijn bord.
